De Ju 88 was zeker het meest veelzijdige Duitse gevechtsvliegtuig uit de Tweede Wereldoorlog.
Hij deed dienst als duikbommenwerper en voor bombardementen van grotere hoogte, hij was jager bij de nachtjacht maar was tevens succesrijk als torpedobommenwerper tegen scheepsdoelen.
Hij kon worden gebruikt als jachtvliegtuig tegen tanks, een mijnenlegger en een verkenner.
Na een hele reeks aanpassingen vloog het tweede prototype op 2 februari 1938. De reeksbouw van de Ju 88A-1 begon daarna in september 1939.
Om aan de eisen van het RLM (Rijksluchtvaartministerie) te voldoen, dat de Ju 88 ook als duikbommenwerper wilde inzetten, kreeg het serietoestel duikremkleppen onder de vleugels.
De eerste inzet van de Ju 88 kwam met de bezetting van Noorwegen.
In juni-juli 1940 richtte de Luftwaffe haar aandacht op konvooien in het Kanaal en op doelen langs de kust; vanaf augustus kwamen er meer aanvallen op het Britse vasteland. De 11de augustus vlogen 54 Ju 88A-1 een offensief tegen Portland; later namen meer dan 100 Ju 88 deel aan de aanvallen op Portsmouth en Ventnor.
Vanaf 15 augustus veranderde de Engelse tactiek en oogstte de Luftwaffe minder successen, totdat op 15 september de bladzijde voorgoed werd omgeslagen.
Die dag zou in de geschiedenis bekend worden als de 'Battle of Britain'. Bij het einde van de Tweede Wereldoorlog was de Ju 88 nog altijd in volle productie. Tot dan waren er meer Ju 88 gebouwd dan alle andere Luftwaffe-bommenwerpers samen, namelijk meer dan 15.000 machines.